Beschouwing en verandering

Uit Het Tibetaanse boek van leven en sterven door Sogyal Rinpoche (Hoofdstuk 3)

Het onveranderlijke

Vergankelijkheid heeft ons al vele waarheden onthuld, maar zij houdt nog een laatste schat in bewaring, een die wij niet als zodanig herkennen, waarvan wij het bestaan niet vermoeden, en die toch zeer innig van onszelf is.

De westerse dichter Rainer Maria Rilke heeft gezegd dat onze diepste angsten als draken zijn die onze diepste schat bewaken. We ontdekken dat de angst die de gedachte dat niets werkelijk en niets blijvend is in ons oproept, onze grootste vriend is, omdat hij ons ertoe aanzet te vragen: als alles sterft en verandert, wat is er dan echt waar? Is er iets achter de verschijnselen, iets grenzeloos en oneindig weids, iets waarin de dans van verandering en vergankelijkheid plaatsvindt? Is er in feite iets waar wij op kunnen vertrouwen, iets dat de dood overleeft?

Als we deze vragen op ons laten inwerken en erover nadenken, merken we dat er geleidelijk een verschuiving plaatsvindt in de manier waarop wij alles zien. Naarmate we meer contempleren en oefenen in loslaten, ontdekken wij ‘iets’ in ons dat we niet kunnen benoemen of beschrijven, ‘iets’ waarvan we gaan beseffen dat het achter elke verandering en achter elk sterven van de wereld ligt. De beperkte verlangens en afleidingen waartoe ons bezeten vasthouden aan bestendigheid ons veroordeeld heeft, beginnen op te lossen en weg te vallen. Wanneer dit gebeurt, vangen we herhaaldelijk lichtende glimpen op van de immense implicaties achter de waarheid van vergankelijkheid. Het is alsof we ons hele leven in een vliegtuig door donkere wolken en turbulentie gevlogen hebben en het vliegtuig er plotseling bovenuit stijgt, het heldere, eindeloze luchtruim in. Geïnspireerd en opgetogen door dit er boven uitstijgen en het betreden van een nieuwe dimensie van vrijheid, ontdekken we diepe vrede, vreugde en vertrouwen in onszelf, die ons met verwondering vervullen, en geleidelijk in ons een zekerheid doen groeien dat er in ons ‘iets’ is dat door niets vernietigd en door niets veranderd kan worden en dat niet kan sterven. Milarepa schreef:

In afgrijzen voor de dood trok ik mij terug in de bergen – Telkens weer mediteerde ik op de onzekerheid van het uur van de dood. Nu het bolwerk van de onsterfelijke, oneindige natuur van de geest is ingenomen, Is alle vrees voor de dood voorbij en over.

Langzamerhand worden we ons dan bewust van de kalme en ruimtelijke aanwezigheid van wat Milarepa de onsterfelijke en oneindige natuur van de geest noemt. En naarmate dit nieuwe gewaarzijn steeds levendiger en vrijwel ononderbroken wordt, vindt plaats wat de Oepanisjaden ‘een ommekeer in de zetel van het bewustzijn’ noemen, een persoonlijke, alle begrippen volledig te boven gaande openbaring van wat we zijn, waarom we hier zijn en hoe we dienen te handelen, wat uiteindelijk neerkomt op een geheel nieuw leven, een nieuwe geboorte, je zou bijna kunnen zeggen: een wederopstanding.

Wat een prachtig mysterie is het dat we door voortdurende en onbevreesde contemplatie over verandering en vergankelijkheid, geleidelijk, dankbaar en verheugd, van aangezicht tot aangezicht komen te staan met de waarheid van de onveranderlijke, oneindige natuur van de geest!